Biografie

Ako Taher groeide op in Irak. Hij begon zijn muzikale carrière op 8-jarige leeftijd met gitaarles. Toen hij 12 jaar was hield de gitaardocent er mee op. Er was geen vervanging of een andere gitaardocent. Wel was er een pianoleraar beschikbaar. Zo werd de droom geboren om klassiek pianist te worden. Onbegrepen door zijn leeftijdsgenoten die vooral geïnteresseerd waren in popmuziek studeerde Ako 7 jaar conservatorium in Bagdad. Zijn leven was muziek. Dag en nacht.

Tot begin jaren '90 de 1e Golfoorlog uitbrak. Het is onvoorstelbaar hoe dat het leven in Irak radicaal veranderde. Ako moest stoppen met spelen. De vleugel werd verkocht. Muziek mocht niet meer. Zijn familie werd bedreigd door het regime. Ze konden niet in Bagdad blijven en vluchtten naar het noorden van Koerdistan. Eén voor één vertrokken er familieleden, zodat het niet opviel.

In 1998 was het Ako zijn beurt. Via gevaarlijke omzwervingen, vele malen opgepakt en teruggestuurd. Vanuit  Griekenland bleef hij volharden: teruggaan was geen optie. Behandeld als een hond, maar ook letterlijk leven, etend en drinkend als een zwerfhond, leerde hij het leven op straat kennen. Na 8 maanden kwam hij in Nederland terecht. Hij stonk, had een woeste, woekerende baard en voelde zich alleen. Die eerste nacht sliep hij onder een brug vlak bij Carré en het Concertgebouw in Amsterdam, wachtend  tot het asielzoekerscentrum open zou gaan. Een wereld met muziek leek mijlen ver weg. Ako leefde in de goot, ver verwijderd van zichzelf. Hij vroeg zich af of dit nu was waar hij voor gevlucht was. Voor dit 'leven'?

Het asielzoekerscentrum werd zijn toevluchtsoord maar bleek een voortzetting van zijn 'levend dood' zijn. Acht lange lege jaren veegde hij onze straten schoon, gebukt onder twijfels en schuld. Hij kon er niet zijn voor zijn familie, ze niet helpen of financieel bijstaan, want je begint in Nederland als vluchteling met een schuld. In Irak betekende leven niks, hier voelde hij zich niks.

Eind 2007 was hij mentaal en lichamelijk gesloopt. Begin 2008 verhuisde hij naar Maassluis om een nieuw leven te beginnen. Twee maanden later krijgt hij bericht uit Irak. Zijn vader, een oud-politicus, die wèl terugkeerde om zijn land weer op te bouwen was vermoord door het zittende regime. Zijn moeder volgde niet lang daarna...

Tot op een dag de piano weer verscheen in Ako's leven. Voor een re-integratietraject werkte hij in een kringloopwinkel in Rotterdam. Daar stond een piano. Vals. Zijn spel was roestig en ruw, maar al spelend kwam alles terug. Het 'talent van de kringloopwinkel' bleef niet onopgemerkt. Zijn verhaal kwam in de media, hij werd finalist bij het tv-programma 'Holland’s got talent'. De media wist hem te vinden. Ineens was er aandacht voor hem, zijn verhaal, zijn muziek. Hij speelde in Carré voor de koning en koningin van Nederland en het voltallig kabinet, in Ziggodome voor een publiek van 18.000 man. Concertuitnodigingen volgden.

Toch stortte Ako weer in en moest alles afzeggen. Ondanks het succes in de media. Om in zijn levensonderhoud te voorzien had hij fysiek zwaar werk op de veiling met onregelmatige werktijden. Hij kon niet oefenen en niet op het niveau spelen met de perfectie die hij van zichzelf verwachtte. Het Nederlandse systeem maakt dat hij wel kan overleven maar niet kan leven...met en van muziek. Hij speelde wat thuis, maar zijn niveau was niet wat het geweest was. Ako ondervond de harde werkelijkheid van bijna elke kunstenaar in Nederland: je leeft in spagaat. Je kunt als musicus haast niet, of maar korte tijd rond-komen van de muziek en het is moeilijk te combineren met ander werk. 

© 2023 by Classical Musician. Proudly created with Wix.com

  • YouTube Social  Icon
  • Facebook Social Icon